| « Do not cross | Matige juristen en holle wetten » |
De afgelopen week moest ik opeens weer aan mijn oude meester Lans denken. Als kale, stevige, maar vriendelijk ogende man van in de veertig, had ik hem in de zesde klas van de Rooms-katholieke basisschool. Vooral zijn uilenbrilletje en stevige handdruk kan ik mij goed herinneren. Hoe oud zal ik geweest zijn? Een jaar of negen a tien, denk ik.
Een klassieke, bijna ouderwetse, meester was het. Je moest hem dan onder andere ook met U aanspreken. De sfeer van het klaslokaal, gelegen naast de Rooms-katholieke kerk, was stoffig: hoge plafonds, dito ramen, landkaarten en schoolprenten aan de muur. Naast de standaard lessen, rekentafels, grammaticaregels en topografie, leerde hij ons ook het Wilhelmus, eerste en zesde couplet, en het “Onze Lieve Vader”.
Het was immers een Rooms-katholieke basisschool. Ook al was het merendeel ‘niet gelovig’, zowel van de docenten als leerlingen.
Twee verzen waren het. Het eerste deel moest iedere dag een ander reciteren. Op alfabetische volgorde natuurlijk; ik was als laatste aan de beurt. Het tweede deel moesten we klassikaal opzeggen.
Eén regel moest ik laatst opeens aandenken:”Leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.”
Als negen jarige had ik geen flauw idee wat bekoring was, maar verlossen worden van het kwade, dat wilde iedereen toch wel. Bekoring stond blijkbaar het verlossen worden van het kwade in de weg. Dus ik wilde niet in bekoring raken.
Daar moest ik aan denken. Nu ik ouder ben wil ik namelijk eigenlijk niets lievers dan in bekoring raken.
Recent comments