Jun 152015
 

Afgelopen weekend vond in Amersfoort de 36ste editie van het jaarlijkse jazz festival plaats. Gedurende het hele weekend stond de oude binnenstad – gratis – open voor alle soorten van jazzmuziek en liefhebbers. Na eerst zes jaar stagemanagement te hebben gedaan was dit voor mij het tweede jaar als presentator op het Lieve Vrouwenkerkhof, dit jaar het enige hoofdpodium. Het presenteren op het podium van mijn favoriete plein geeft mij een kick en biedt de mogelijkheid om veel artiesten en bands voorbij te zien en horen komen. Nog bijkomende van een zwaar weekend schrijf ik dit stukje met een paar observaties over de optredens op het LVK.

Natuurlijk heb ik maar een selectie van alle concerten in Amersfoort gezien, maar toch wil ik graag het volgende delen:

  1. Bandjes die mogelijk risicovol zijn brengen veel vertier;
  2. Er was veel ruimte voor (aankomend) talent en dat geeft het festival extra charme;
  3. Het festival is afgestapt van puur (bigband) jazz en biedt meer ruimte aan experimentele en mengvormen van jazz.

Voor mij de hoogtepunten in het programma waren twee kleine en nieuwe bandjes die op de rand van jazz en wereldmuziek zaten.

Ten eerste de openingsact van het zaterdagprogramma: Amariszi. Een muzikale samenstelling van acht jonge musici onder leiding van Kay Krijnen. Met hun balkan-achtige invloeden, gemend met alles was los en vast staat in de jazz en reggae kregen ze een nog wakker wordende plein in beweging. Een vrolijke zangeres die met volle teugen in allerlei (Balkan) talen zong maakte het tot een groot feest. Ik hoop dat ze volgend jaar er weer bij zijn en dan verdienen ze zeker een plaatsje in de zaterdagavond programmering op het hoofdpodium. Overigens is hun muziek te beluisteren via Spotify en hun website (www.amariszi.nl) biedt meer informatie.

Zondagmiddag stond er tussen twee grote formaties in (na het Nationaal Jeugd Jazz Orkest en voor Carel Kaayenhof) een trio op het grote podium. Dit trio – eens waren het er zeven – trad op onder de naam Sinas (www.sinasmusic.com) en bracht dusdanig veel energie naar Amersfoort dat de zon spontaan door het grijze wolkendek heen brak. Het was mooi geweest als deze band direct voor de Amsterdam Kletzmer Band (XL) had gestaan. Wanneer dat het geval was geweest dat weet ik niet of de voegen van de Lieve Vrouwetoren het gehouden hadden.

Zelf vond ik de twee acts op de zaterdagavond licht tegenvallen, Tim Wes was leuk, maar miste in mijn beleving de aansluiting met het jazzfestival. Wel was het als theatervoorstelling bedoelde optreden van New York Round Midnight één van de geslaagde gewaagde acts, mede door het goede optreden van de vertellen Koen Schouten (en natuurlijk de kwaliteit van de muzikanten, w.o. Rolf Delvos, Marius en Alexander Beets en Gijs Duikhuizen). Ten slotte stal de (bijna) 17-arige Dominique  Kos op percussie de show in haar optreden met de New Manhattan Big Band.

Al met al een geslaagd festival, waarin wel duidelijk is geworden dat het opstellen van risicovolle bandjes zijn vruchten afwierp.

Ga vooral ook eens luisteren naar Sinas en Amariszi voor wat frisse en nieuwe mengjazz.

Jul 092012
 

27 Juni, Almaty

Ik zag een man mishandeld worden vandaag. Op een plek waar je als vreemdeling toch al bijna geen rechten hebt. De man die mishandeld werd, werd niet zo maar door iemand mishandeld maar door een vertegenwoordiger van de staat. De grensbewaker vroeg de man te blijven staan. In alle rust liep de douanier zijn hokje uit, de hoek om, naar waar de man bevroren stond. Kalm verzocht de douanier aan de rij wachtenden voor de paspoortcontrole een metalen staaf uit het hek. Een vrouw gaf het aan. Toen hij de anderhalf meter lange massieve metalen staaf in ontvangst nam dankte hij er vriendelijk voor: een kleine glimlach en een woord van dank.

De eerste tik was direct op het hoofd, met een gongend geluid kwam de staaf neer. Van pijn en verontwaardiging riep de man waar de staaf op neerkwam het uit. Een tweede klap volgde, net als een stoot met de staaf op de borst van de man. Jammerend zeeg hij naar de grond, half schuilend achter zijn nog staande bagage. De twee rode koffers konden helaas voor hem geen bescherming bieden, de ijzeren staaf wordt immers voor de vierde maal opgeheven. Met kracht en een zwiepend geluid komt de staaf neer op de rug van de al kermende man. Sidderend ligt hij met opgetrokken ledematen op de grond.

Wachtenden in de rij kijken stoïcijns voor zich uit. Een enkele blik van lichte verbazing staat op sommige gezichten, verder niks. Moeizaam, steunend op zijn rode koffer, kruipt de man op. Diep voor over gebogen sleept hij zich en zijn bagage naar achter.

De douanier geeft de staaf beheerst en kalm terug aan iemand in de rij wachtenden. De hand die de staaf aanneemt steekt hem weer terug in het hek, daar waar die vandaan kwam. Tevreden met zichzelf loopt de douanier met licht verende tred terug, terug zijn stempelhokje in. Onverstoord gaat hij verder met wat hij aan het doen was: het stempelen van het volgende paspoort. Achter hem prijkt een grote banier waarop te lezen valt: “Welkom in Kazakstan”.

May 262012
 

Hoe controversieel het misschien ook is, maar over de Zuid-Turkse stad Diyarbakir kan je alleen maar iets schrijven in relatie met de door de Koerden zo gewilde Kurdische staat. Een eigen volk, met eigen taal, schrift en tradities, dat over vier landen leeft: Syrie, Irak, Iran en Turkije. En zoals met wel meer grote minderheden, soms met wat problemen met de meerderheid. In Turkije ligt de Koerdische kwestie gevoelig. Een rel onstond zelfs toen in de Turkse vertaling van Geert Mak’s De Brug (boekenweekgeschenk 2007, volgens mij) het leek alsof hij pleitte voor een eigen staat. Zulke ondermijning van de ‘Turkse identiteit’ kan ook niet in een land waar een nationalistische artikel 301 in het strafrecht staat. Dit artikel maakt het strafbaar om Turkije te beledigen, de nationaliteit te krenken en dergelijke. Nobelprijs winnaar Orphan Pamuk is er zelfs voor vervolgd.

Terug naar Diyarbakir. Jaren geleden werd er in West-Turkije bij enkel het noemen van de plaatsnaam gehuiverd. Het was de hoofdstad van de Koerdische opstand, vanwaar onder andere de PKK een vrijheidsstrijd voerde. Menig Turks dienstplichtig soldaat is er ook gesneuveld.
Inmiddels staat het wat beter op de kaart, maar nogsteeds is de stad anders dan de rest van Turkije. Met de nachtbus vanuit Ankara stap je uit in een wereld die veel meer arabisch aandoet en met het beetje Turks dat je geleerd had kom je niet ver. De oude stad is geheel nog ommuurd met de oude stadsmuur, met als hoogtepunt het bastillion, de Citadel. Met fantastische uitzichten over de vervallen stad en de mytische Tigris.

Veel toeristen komen echter niet in de Citadel, als ze uberhaubt al de moeite nemen naar Diyarbakir te gaan. Er is geen hek omheen, geen toegangskaart en alleen ogenschijnlijk niets doende mannen zitten er in de magere schaduw die het lege compex te bieden heeft. Voor zich uitstarend. Zacht geklikklak van de bidketingen tegen de handpalm en het gekraak van sprinkthanen is haast het enige geluid. De burgt de al van alles heeft gezien geeft een somber aanblik. Ooit eens een fier verdedigingswerk, groots opgezet op de heuvel, was het in de jaren 80 geworden tot een hechtenisplek voor gevangengenomen PKK strijders. Nu wordt het alleen nog maar gebruikt voor de lokale geiten, nu is het hun stal.

Arbil daarentegen lijkt aan haar verval te ontklimmen. De hoofdstad van de Autonome Koerdische regio in Irak heeft eveneens een grote citadel. Ooit gebruikt als vluchtelingenkamp voor IDP’s (Internal Displaced Persons) en waar je twee jaar geleden nog door de resten van een eeuwen oude nederzetting kon struinen, over daken kon klimmen en je een ontdekker voelen. Nu is het vrijwel geheel afgesloten en werken bouwbedrijven nijverig aan de ‘reconstuctie’.

Toch lijkt er iets te dreigen en te broeien in Arbil. Het weer doet het in ieder geval. Zware lucht hangt in en over de stad. Gebrek aan openbaar vervoer geeft de stad in handen van taxi-maffia en andere stinkende auto’s. Donkere luchten tornen boven de stad. Arbil lijkt te wachten op een bevrijding, misschien nu niet van een overheerser, maar van zichzelf. Als mieren voor een onweersbui bewegen mensen door de nauwe straten en over het plein. Gehaast, bedrukt. De vele geldwisselaartjes azen op nieuw geld. Zij, op lage krukjes gezeten achter een glaze bak voor met allerhande biljetten, kijken chagerijnig in de rondte. Als haviken proberen ze hun prooien te spotten en te bedotten. Arbil gaat om geldmaken, graaien, dat zie je aan ze.

Als Arbil in India lag, zou de dag eindigen met een hoosbui. Reinigend en verfrissend. Straten zouden worden schoongespoeld van alle vuil en leeg achterblijven. Aan het verbeeldingsvermogen van de reiziger overlatend of het het einde van iets is, een bevrijding, of iets nieuws, een nieuw begin. Dit is echter India niet, maar Irak. De verfrissende, bevrijdende en vernieuwende regen komt dus niet. Geen hoosbui vandaag. Arbil gaat verder, in dezelfde drukkende en dreigende atmosfeer. Wachtend op die dag die de verlossing brengt.

En de voorbijganger, die gaat weer verder. Voor hem maakt het niet uit wanneer die regen komt; al zou het een mooi einde betekenen. Zolang het maar geen miezer bij de grens is.

Apr 272012
 

Eens stad der steden die het verleden voortsleept in het heden en ruines met roem verwart. Dat schreef de dichter Slauerhoff in het gedicht O Enjeitado in de jaren dertig of Lissabon. Had hij het nu geschreven, zou het over Istanbul zijn gegaan. Eveneens een stad rondom een grote rivier, vervang Taag met Bosparus en het klopt weer. Eens Constantinopel, stad van de Sultan. Vanwaar hij het gehele Osmaanse rijk controleerde. Van Balkan tot Perzische Golf en van Kaukasus tot Cairo. Ooit ook eens eindpunt van de fameuze Orient-Expres en onze westerse poort tot het verre Oosten.

Die grandeur is verworden tot een onder eigen roem zwelgend openlucht museum. Horden van toeristen sjokken traag, zuchtend, kreunend en zwetend tegen de heuvels van Sultahamet op. Allen op weg naar dezelfde in brochure en reisboeken vermelde beziens’waardigheden’ en restaurants. Of terug naar de touringcar.

Het verval van Istanbul blijkt pas echt uit een blik langs eens ‘s werelds bekendste treinstations, Sikeci en Haydarpasa. Spoorwegpaleis Haydarpasa, ooit eens door de Duitse keizer Wilhelm laten bouwen aan de Aziatische kant van Istanbul, rijkelijk voorzien van marmer en uitkijkend over de Bosparus en de Zee van Marmaris. In haar goede tijden kon je vanhier de trein nemen naar Bagdad, Damascus, Amman en Tehran, nu gaat de verste trein slechts nog naar de buitenwijken van Istanbul. Vanbuiten is het al niet veel beter; de ooit mooie muren zijn bruin uitgeslagen door de walmen van de immer voorttuffende Istanbulse boten, het verfwerk is aangetast door de soms gure zeewind en het glas in lood zit vol gaten. Ramen hangen scheef in de sponning en gaten zitten volop in de daken. Het is toe aan een eerbiedwaardig pensioen.

Aan de Europese zijde waar het station Sirkeci het eindpunt was van de Europese connectie met de Orien-Express. Al jaren komen er geen internationale treinen meer aan. Zullen er overigens ook nooit meer komen. Het gebouw is recentelijk verbouwd, maar het oude gedeelte hangt enkel nog van melancholie aan elkaar.

In zomerse dagen gaan de Istanbulli graag naar een eilandengroep op een anderhalf uur varen: Adlare of Prins eilanden. Deze autoloze eilanden bieden rust, geen autoverkeer is toegelaten: paard en wagen vieren hier nog altijd hoogtij dagen. Langs een eenzame kustweg staan mooie grote witte huizen met een nostalgisch jaren 20 bouwstijl. De witte verf bladdert eraf, van de zonwering is weinig behalve losse plankjes over.

Nee, voor modern Turkije kan je beter naar Ankara of Adana gaan. Mocht het niet anders kunnen, of je de melancholie en vervallenheid wilt aanschouwen, ga dan eens voor de grap naar Kadikoy, een hippe student aandoende wijk aan de Aziatische zijde van Istanbul. Geen toerist is daar te vinden en je wordt alleen in het Turks een restaurant in gelokt.

Jan 282012
 

De afgelopen week moest ik opeens weer aan mijn oude meester Lans denken. Als kale, stevige, maar vriendelijk ogende man van in de veertig, had ik hem in de zesde klas van de Rooms-katholieke basisschool. Vooral zijn uilenbrilletje en stevige handdruk kan ik mij goed herinneren. Hoe oud zal ik geweest zijn? Een jaar of negen a tien, denk ik.

Een klassieke, bijna ouderwetse, meester was het. Je moest hem dan onder andere ook met U aanspreken. De sfeer van het klaslokaal, gelegen naast de Rooms-katholieke kerk, was stoffig: hoge plafonds, dito ramen, landkaarten en schoolprenten aan de muur. Naast de standaard lessen, rekentafels, grammaticaregels en topografie, leerde hij ons ook het Wilhelmus, eerste en zesde couplet, en het “Onze Lieve Vader”.

Het was immers een Rooms-katholieke basisschool. Ook al was het merendeel ‘niet gelovig’, zowel van de docenten als leerlingen.

Twee verzen waren het. Het eerste deel moest iedere dag een ander reciteren. Op alfabetische volgorde natuurlijk; ik was als laatste aan de beurt. Het tweede deel moesten we klassikaal opzeggen.

Eén regel moest ik laatst opeens aandenken:”Leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.”
Als negen jarige had ik geen flauw idee wat bekoring was, maar verlossen worden van het kwade, dat wilde iedereen toch wel. Bekoring stond blijkbaar het verlossen worden van het kwade in de weg. Dus ik wilde niet in bekoring raken.

Daar moest ik aan denken. Nu ik ouder ben wil ik namelijk eigenlijk niets lievers dan in bekoring raken.

Dec 252011
 

De Hoge Raad der Nederlanden, het hoogste Nederlandse rechtsorgaan voor civiel-, belasting- en strafrecht. In maart 2011 ontstond er al een klein relletje over de benoeming van Ydo Buruma, hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht aan de Universiteit van Nijmegen, als Raadsheer (zo wordt de rechter in de Hoge Raad genoemd) in de Hoge Raad. Najaar 2011 opnieuw onrust over de aanbevolen kandidaat Aben voor benoeming: de kandidaat zou zich te kritisch over het wrakingbesluit in de zaak Wilders hebben uitgelaten. Hoe moet het verder met de benoemingen van rechters? Verder politiseren of kijken naar een andere procedure?

Hoe de benoeming gaat. Allereerst is het belangrijk te weten dat de Raadsheren voor het leven worden benoemd en alleen ontslagen worden als ze de leeftijd van 70 hebben bereikt of op eigen verzoek. Bij het ontstaan van een vacature in de Hoge Raad stuurt de president, op dit moment de heer Prof. Mr. Corstens, een brief naar de Tweede Kamer. Bij deze brief wordt een lijst van zes namen bijgevoegd als aanbeveling vanuit de Hoge Raad. De Tweede Kamer is echter niet gebonden aan deze namen.

Na ontvangst van het ‘lijstje’ besluit de Kamer om drie namen naar de Kroon (regering) te sturen. De regering moet vervolgens uit deze drie namen een nieuwe Raadsheer kiezen en benoemen. De reden om de benoeming via de Tweede Kamer te laten gaan is omdat de Hoge Raad bevoegd is om ambtsmisdrijven van Kamerleden en leden van het kabinet te berechten.

Tot voorkort was het gebruikelijk van het lijstje van de Hoge Raad de laatste drie weg te strepen en de overige drie unaniem als voordacht naar de regering door te sturen. In maart liep dit stuk, de vaste Kamercommissie (nota bene onder voorzitterschap van de Roon, PVV-er) stuurde drie namen door, met Buruma op een. Bij stemming bleek er eens een hoofdelijke (anonieme) stemming te zijn aangevraagd. Al geschiede, met de uitkomst: 24 onthoudingen. Wilders was tegen, want Buruma was niet goed. Hij mocht niet in de Hoge Raad, hij had namelijk een uitgesproken mening. De andere kandidaat, Aben, was ‘onacceptabel’ omdat hij de verkeerde mening had over het wrakingverzoek in de zaak Wilders.

Het dilemma is, willen we een middelmatige Hoge Raad waarin geen meningen voorkomen, of willen we een Hoge Raad die duidelijk is en verantwoordelijkheid neemt in ‘de rechtsvorming’. Als het eerste het antwoord is op wat we willen, dan moeten we vooral doorgaan met het zoeken van kandidaten die nooit iets verkeerds hebben gezegd over wie dan ook. Willen we een Hoge Raad die het voortouw durft te nemen in de ontwikkeling en controle van het recht, dan moeten we eens goed kijken naar hoe we de Hoge Raad willen samen stellen.

Zelf ben ik absoluut voor een Hoge Raad met een duidelijk stem en die ergens voor staat. Juist uit oogpunt van de controlerende functie van de rechter en in het bijzonder van de Hoge Raad. Als in de toekomst de Hoge Raad nog verdere bevoegdheid toekomt, denk bijvoorbeeld aan het voorstel Halsema waarin de rechter een wet kan toetsen aan de Grondwet, wordt de functie nog belangrijker. Juist daarom mag de Hoge Raad niet middelmatig worden, hoe moeilijk dat ook is in een steeds harder wordend politiek klimaat.

Hoe de Hoge Raad dan wel te benoemen, is de logische vervolg vraag. Eerlijkheidshalve weet ik dat nog niet. Voordracht door de Hoge Raad direct aan de Regering zet de Politieke arena van de Tweede Kamer buiten werking en kan een nog grotere ‘old boys network’ gehalte tot gevolg hebben. De Tweede Kamer een nog grotere stem geven kan tot US Supreme court-achtige taferelen leiden waarin de middelmaat zegen viert. Een idee zou kunnen zijn de voordracht door Eerste en Tweede Kamer te laten zijn, of te zoeken naar een nieuwe weg waarin zowel de onafhankelijkheid als de legitimering van de Hoge Raad zijn gewaarborgd. Middelmatige juristen in belangrijke rechtsorganen lijkt me echter geen optie. Analoog naar Camus, zullen zij namelijk holle wetten en uitspraken voortbrengen.

Dec 102011
 

Article 3.Everyone has the right to life, liberty and security of person.

Het recht op leven, vrijheid en persoonlijke veiligheid, dat schrijft het derde artikel van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens voor, althans als je de Engelse versie mag geloven. Daarin wordt gesproken over ‘Personal security’, net als de Franse ‘Securete de sa persone’, in het Nederlands is het echter de ‘onschendbaarheid van persoon’. Hetgeen is anders is dan persoonlijke veiligheid.

Daar wil ik het echter ter gelegenheid van de verjaardag verklaring het niet over hebben, noch over of de rechten van de mens een horizontale werking hebben, noch of ze niet een westers concept zijn of een jubelzang over het goed het wel niet is dat er rechten van de mens zijn. Allemaal mooie onderwerpen, maar niet voor nu.

Waar ik het wel over wil hebben is het ‘brengen’ en ontstaan van vrijheid. Mensen die mij kennen weten dat ik een zwak heb voor de Arabische wereld. Weinig dingen zijn dan ook zo actueel als de Lente die in middels een koude winter geworden is. Mubarrak mag dan wel weg zijn, maar zijn legerchefs hebben feitelijk nog de macht in handen. Lybië ging niet zo heel erg lekker, om nog maar even niks over Syrië te zeggen.

Graag had ik dan ook geschreven over hoe goed wij – als vrije en democratische westen – wel niet zijn in het steunen van de Arabische lente. Helaas blijken onze ministers en premiers die normaal de mond vol hebben over mensenrechten, vrijheid en democratie toch iets minder enthousiast. Met de spontane opstand in Tunesië, snel gevolgd door Egypte en andere landen, werden de ministers echter zenuwachtig. Premier Rutte repte zich snel naar de microfoon om te vermelden dat "we er natuurlijk niet aan moeten denken dat het Broederschap [conservatieve partij] aan de macht komt." Verhagen wist in Nieuwsuur te melden dat mensen rechten het meeste baat hadden bij een stabiele regering. Veel kan je zeggen over Khadaffi, Al-Assad en Mubarrak, maar niet dat ze niet stabiel waren.

Nu is het militaire regime wat Mubarrak verving in dictatoriale zin geen democratie, de overwinning van een islamitische partij in Tunesië is dat wel. Helaas is dat niet wat wij willen. Wij hebben liever onze – dierbare – mannetjes er zitten.
Toch houden ze, de Westerse leiders, vol dat we voor democratie zijn. Dat zijn we ook, als er in Iran of Syrië gedemonstreerd wordt volgt al snel de oproep aan de leider te vertrekken. Op het moment dat er druk op het regime in Egypte, Bahrein, Yemen, Oman of Saudi-Arabië komt, is het echter van het grootste belang dat de stabiliteit (lees het dictatoriale regime) in stand blijft. De wil van de meerderheid is dan van groot gevaar daar voor.

Kortom, we meten met twee maten, een vriendelijke maat van artikel 3 – het grondvest voor alle politieke en mensenrechten – voor vrijheidsonderdrukkende regimes die we steunen en een hardere artikel 3 voor de regimes van de ‘we don’t like you list’. Laten we overal, in het kader van de dierbare vrijheid voor een ieder, onze zelfgekozen leiders eens op te roepen met het huichelachtige gedrag. Wees eindelijk nou eens consequent, ook al is de uitkomst van de verkiezing niet zoals we die zouden willen zien. Eigen economisch en machtsbelang zou bij de vrijheid van anderen een keer niet de eerste viool moeten spelen.

Ook ik weet dat het idee dat eigen belang naar de tweede plaats wordt geschoven niet te realiseren is. Maar misschien moeten we 10 december dan toch eens aangrijpen om een keer naar onze eigen rol te kijken in de onderdrukking van miljoenen over de wereld en over wie we nu eigenlijk moeten steunen. Idealistisch: ja, maar vandaag mag het.

Kijk tip: Onze dierbare dictator van VPRO’s Tegenlicht.

Dec 042011
 

– On Syria, a brief history –

Syria joined the list of countries where citizens are claiming their rights. For Syria, however, it may not just be the case of the people against the regime. With a ruling Alawite minority (approximate 12% of the population) and a large Sunni Islam majority of 74% may it become an explosive mixture of sectarion infulences and a disproportional division of power. This is on how Syria came to be one of the leading police-states: a brief history on the Lion and the Sphinx.


The lion into power

We should start the history of this country in the Levant, surrounded by more or less democratically countries such as Lebanon, Israel and Jordan, at the end of the French mandate era in the late forties. The French colonial administration recruited from the minority groups – Alawite, Druze, Isma’ili, Christian and Kurdish communities to fill up their officer corps. This leaves a small representation of the majority population of Sunni Muslims. During the post-French period between 1949 and 1970 took fifteen successful coups place. In 1963 the nationalistic and equalitarian Ba’ath-party took control of Syria. The Ba’athist victory resulted in Druzes, Isma’ilists and Alawites leaving their rural countryside to join the military academy. A second Ba’ath-coup by two Alawite generals (Salah al-Jadid and Hafez al-Assad) backed by Druze and Isma’ili officers overthrow the civil wing of the Ba’ath party.
The role of Druzes within the new elite ended with their failed attempt to commit a coup, this signalled the end of the Druze prominence in the officer corps. When, in 1969, a prominent Isma’ili officer committed suicide, also the role for the Isma’ili was played down. A third successful coup brought in 1970 the defence minister and head of the armed forces, Hafez Al-Assad, in power. The 1973 Constitution ensured the freedom of religion for all, although heavily monitored and as long as it stayed away from any political influences. Political freedoms where (and are) second to none.

Biographies on Hafez Al-Assad are describing him as ‘cautious, calculating and pragmatic’. Al-Assad had used the Ba’ath party and the military to get in power, now he transformed them into the foundation of the regime. He made himself head of the Ba’ath party and to ensure loyalty to the new regime he appointed relatives and other Alawite officers in prominent places of the security agencies and military. His brother, Rif’at Al-Assad, became the head of paramilitary elite forces. Al-Assad saw Syria together with Egypt as the counterpart of Israel, but the 1973 Egypt/Syria-Israel war turned out to be a bit of a disappointment. Losing Egypt as co-force the Al-Assad regime started to build up a big military apparatus to ensure their position within the Arab world. With (military) intervening in Lebanon and Jordan and choosing side of Iran in the Iraq-Iran war, Syria became more and more internationally isolated.

The Sphinx

Not only internationally had Al-Assad some trouble, also orthodox fractions of the Sunni Muslim society inside Syria where causing some headaches. From 1976 the militant Islamic opposition was raging guerrilla warfare in some of the (former) commercial cities such as Aleppo (Haleb), Homs and Hama. The Muslim Brotherhood claimed in February 1982 the victory in the last city. This resulted in Rif’at Al-Assad launching a big military attack on Hama resulting in over 10.000 deaths and the entire inner city destroyed. A chill of fear spread through Syrian society; Al-Assad had issued a warning to all potential dissidents that the regime would use all necessary power to stay in control. According to some did Hafez Al-Assed reply to the question why he killed 15.000 people, with ‘That’s not true, I did not kill 15.000 but 25.000.’

After the death of Hafez Al-Assad in 2000, his 34-years old son Bashar Al-Assad took office (his older brother died in 1994 and Bashar was called back from London where he attended medical school). At firstly Bashar Al-Assad seemed to allow some freedoms such as Internet and independent newspapers. The Damascus spring didn’t last long, even though political prisoners where freed in autumn 2000, eventually the regime felt back on its tried methods of repression and in 2001 the spring was over again. Afterwards did Bashar grant some freedoms, but those where merely economical freedoms instead of political.

Bashar Al-Assad kept the same power and loyalty distribution as his father. The Syrian military consists of 304.000 men (on a population of roughly 22 million) and Alawite (12% of the population) makes 70% of the career military. Besides the regular armed forces there are two Alawite only paramilitary divisions with the best equipment, the Republican Guard (led by the brother of Bashar, Maher Al-Assad) and the Special Forces. Both divisions are ought to be capable to counter any military coup attempt. The same idea is seen in the Syrian intelligence: nine separate services with overlapping functions so the regime is not overtly depending on any of them. All nine services are working in almost entire secrecy. None of the services are permitted to have full access to the counterparts intelligence and information on their agents. Even within each service are different commanders reporting directly to the president, instead of their normal superiors. To ensure accountability and loyalty, personal within the intelligence services are often moved around and sometimes also ‘undercover’ from another service. Just to make sure that every possible treat will be discovered.

All together makes this Syria a complex country where the president has implemented a strong system of rule and divide, making sure that the stakes for the higher echelon within the state are to high to be disloyal. With a sectarian division of power is the risk for a Iraq like confrontation between the different – religious – groups and a full-scale civil war not negligible.

Sep 162011
 
Nationale Politie, een discussie die na 160 jaar (nogmaals) wordt beslecht.

Op 1 januari 2012 moet het dan zover zijn: de Nationale Politie, één politiekorps dat onderverdeeld is in 10 regionale divisies. Een voortvloeisel van jaren lange discussie over het inrichten en de sturing van de politie. Bij iedere hervorming kwam het weer terug, maar de discussie speelt eigenlijk al vanaf de vorming van de rijks- en gemeentepolitie in 1848-1851 met de invoering van de Grondwet en Gemeentewet.

Tot aan de Franse tijd in Nederland kan er nog niet gesproken worden over een politie, en al helemaal niet over ‘de’ politie. Het was eerder een losse verzameling van personen die iets met de sociale veiligheid van een stad te maken hadden, schouten, rakkers en schutterij. Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk had dit als gevolg dat er een militair politiekorps haar intrede deed: de Gendarmeri Impériale. Na ineenstorting van het Franse rijk bleef het systeem van de ‘veldwachter’ en commissaris van politie gehandhaafd, echter nu operend onder de naam van Marechaussee. Alleen deze waren met name aanwezig in het zuiden, als er in het noorden een grote opstand uitbrak was het de taak van het leger om deze te beteugelen. Dit leidde – hoe verrassend – tot meningsverschillen tussen militaire en civiele commandanten over wanneer er nou militaire bijstand kon worden ingeschakeld. Als gevolg daarop werk bij een Koninklijk Besluit in 1836 de plaatselijke (openbare orde) politiezorg ondergeschikt gemaakt aan de Burgemeester en Wethouders. Duidelijkheid omtrent de opsporingskant werd geschapen door het in 1838 ingevoerde Wetboek van Strafvordering. Daarin was duidelijk opgenomen dat bepaalde politiemedewerkers ook opsporingsambtenaar onder een Procureur-generaal waren.

Indertijd waren er protesten tegen de rol van het leger in de orde handhaving, met name Provó Kluit, Directeur van de Amsterdamse Politie. Zijn grote bezwaar was met name dat het leger ‘per definitie’ niet geschikt was omdat deze niet zelfstandig zonder bevelen konden werken. Toch waren deze militairen noodzakelijk voor het handhaven van de orde gedurende enkele voedselrellen in de winters tot 1857. De legerleiding was het hier mee eens, alleen het burgerlijk gezag was nog enigszins doof. Toch zag je in de grote steden zoals Rotterdam en Amsterdam een politiekorps ontstaan naar Brits ‘Metropolitan Police’ voorbeeld. Eind jaren 40 van de negentiende eeuw was er al grote discussie over hoe de politie er uit moest komen te zien. Niet alleen qua organisatie maar ook op gebied van beheer en bevel. In de politieke discussie stonden twee liberalen tegen over elkaar: Thorbecke, bedenker van de Grondwet van 1848 en in 1951 als Minister van Binnenlandse Zaken schrijver van de Gemeentewet. En aan de andere kant Provó Kluit, eerst als directeur der Amsterdamse politie en tussen 1850 en 1853 als lid van de Tweede Kamer.

Provó Kluit had zich in 1849 al duidelijk uitgelaten over hoe de politie in zijn ogen moest worden gevormd en ingedeeld. Hij deed dit in een 88 pagina tellende brochure getiteld: " De Zelfstandigheid der Policie Verdedigd". Het pleidooi wat daarin geschreven staat mogen duidelijk zijn. Ten eerste moest er volgens Kluit een duidelijke scheiding zijn Politie en Rechterlijke macht. Om maar even mooi Oudnederlands te kunnen citeren:

"Policie-magt en regtsmagt zijn alzoo zusterlijke gezellinnen, die van verschillende geaardheid echter elkander wederkeerige hulp bieden. Hij zijn takken van derzelfde stam die toegebonden elkander kunnen naderen, doch niet tot één kunnen zamengroeijen." (Kluit, p.6)

Verder is hij stevig gekant tegen het behouden van een bewapende Marechaussee, niet omdat deze niet enig onberekenbaar nut kan stichten, maar voor het Nederlandse volk was nu eenmaal niet muitziek en behoefte daarom geen "instelling der marechaussee" om de enkele struikrovers die elders waren aan te pakken. Daarnaast is het hebben van een militaire politie die te paard rondrijdt onpraktisch "aangezien dit rijk voor een zeer aanzienlijk deel is doorsneden door water" (p. 34).

Een gemeentelijke politie kan overigens evenmin zijn goedkeuring verdragen. De verdeling van de politie in kleine territoriale gebieden is "klaarblijkelijk eene dwaling, naardien het beheer en alzoo de regeling en indeling der policie van staatsgezag uitgaat, omdat policie eene belang van de staat, niet van eene enkele gemeente is." (p. 47) Echter niet alleen deze opsplitsing van de politie is geen goede zet geweest volgens Kluit, ook het duale gezag tussen Justitie en Binnenlandse Zaken is oorzaak van "dat de policie hier ten lande weinig aan hare bestemming heeft voldaan, omdat door splitsing […] eenheid bij het bestuur werd gemist, en de uitvoering te veel door plaatselijke inzigten werd belemmerd, […]". (p. 47). Er dient dan ook te komen tot "eene enkel lichaam van policie" welke onderverdeeld moet worden in een vijftal directoraten met gemiddeld 2 Commissarissen van Politie per directoraat. Dit alles centraal geregeld onder de Minister van Justitie.

Nadat Kluit in 1850 toetrad tot de Tweede Kamer bleek hij naar verwachting de politieke tegenspeler van Thorbecke, dan Minister van Binnenlandse Zaken. Bij de invoering van de Gemeentewet in 1851 bleek Thorbecke te pleiten voor een Gemeentelijke politie, onder bevel van de burgemeester alsmede de Officier van Justitie, en een – op dat moment nog op te richten – Rijkspolitie. De commissaris van Politie viel zowel, zo valt op te maken uit artikel 170 Gemeentewet 1851, was in dienst van de gemeente maar was tevens dienaar van de Kroon. Dit was tegen het zere been van Kluit. Echter was dit bij de behandeling van de begroting van Justitie op 25 en 26 november 1851 niet hetgeen waar Kluit het meeste over struikelde. Nee, het gebrek aan enige wet of besluit omtrent de Rijkspolitie was in de eerste termijn een grote punt van orde. "Er moet dus onvermijdelijk eene wet zijn.". Het gebrek aan een politiewet was echter niet de hoofdoorzaak van de chaotische wijze van handelen, nee, "De hoofdoorzaak van verwikkelingen, […] schijnt er in gelegen te zijn dat men zich gewaagd heeft eene versnippering van politie, tusschen Rijks- en Gemeente-politie, waarvan niemand de grens weet aan te wijzen. Het is een Gordiaansche knoop, die niemand kan ontwikkelen." (Handelingen der Tweede Kamer, 25 november 1851). Drie voordelen zouden zich voordoen als er wel spraken was van een eenheid van politie, wederom in de woorden van Provó Kluit: "Ik beroep mij in de eerste plaats op het magische woord bezuiniging, waaronder ik niet begrijp eene beknibbeling op een post hier, maar een grote bezuiniging." Daarnaast zou eenheid ook einde maken aan de ongelijkheid in de verschillende gemeenten en provinciën. Een derder voordeel is meer politie door de samenvoeging en ten slotte zou eenheid zorgen voor een betere discipline omdat het leidt tot opheffing van alle "kleingeestige locale belangen".

Helaas voor Kluit bleef het qua veranderingen daarbij, een verdeling in Rijks- en Gemeentepolitie. Wel werd er in 1852 een staatscommissie ingesteld met als doel het "zich buigen over een oplossing voor het politievraagstuk". Voorzitter: Provó Kluit. Te raden valt in welke richting werd gekeken, eveneens valt in te schatten hoe de commissie zich uit over de huidige situatie: Ronduit slecht, rijkspolitie bestond enkel van naam en de gemeenten voorzagen slecht en amateuristisch in de politie behoefte. De aangedragen oplossing was "beginsel van eenheid, zelfstandigheid en centralisatie der politie".

Het zou nog tot 1994 duren voordat er een verandering plaats vond in het onderscheid tussen Gemeentelijke- en Rijkspolitie. Daarna zou de discussie nog niet stillen, amper 18 jaar na de invoering van 25 politie regio’s (plus een landelijk opererende Korps Landelijke Politie Dienst) lijkt de volgende hervorming er aan te komen. Eén centraal gestuurde landelijke politie die uit gaat naar eenheid, met een directe ‘directeur’ onder de Minster van Justitie (en Veiligheid). Overigens lijken de vier voordelen die in 1851 werden genoemd actueler dan ooit. Zodoende lijkt het erop dat na een discussie van ruim 160 jaar Provó Kluit alsnog het voordeel van de twijfel krijgt boven de onbeweegzame staatsman Thorbecke.